Wat kan de school doen?
In de bovenbouw moet de hulp aan
leerlingen met dyslexie gericht zijn op:
- extra begeleiding bij lezen en
schrijven
- stimuleren van de motivatie
- goede dossiervorming om de hulp te
continueren
- hulpmiddelen (compensatie)
en ontheffingen (dispensatie)
- het maken van een dyslexiepas- of
kaart
1. Extra begeleiding
Extra begeleiding is er vooral op gericht om de technische lees-
en spellingvaardigheden, het begrijpend lezen en het begrijpelijk
schrijven van een tekst op een zo hoog mogelijk niveau te
krijgen. Dit gebeurt door:
- steeds weer oefenen van de leessnelheid en de spelling (de
decodeervaardigheden van het technisch lezen en het spellen)
- maken van stappenplannen waarmee de leerling de verschillende
denkstappen bij het lezen en spellen beter kan onthouden
- het vinden van oplossingen om het begrip van de tekst te
bevorderen en te leren schrijven
Het kind moet uiteindelijk informatie kunnen halen uit teksten
van bijvoorbeeld schoolboeken of tijdschriften, of een verhaal
kunnen schrijven. De leerkracht of remedial teacher zal proberen om
het kind met leesproblemen zoveel mogelijk strategieën aan te leren
voor begrijpend lezen en tekstschrijven.
2. Motivatie
- het blijven stimuleren van de motivatie
- het leren omgaan met de beperkte leessnelheid
Naast aanpak van lees en spellingsproblemen, is aandacht voor de
blijvende motivatie van de leerling uiterst belangrijk. Het kind
met dyslexie moet het gevoel hebben dat de leerkracht zijn probleem
begrijpt en bereid is hem te helpen. Het is heel frustrerend voor
een kind wanneer de leerkracht niet weet wat dyslexie betekent. Uit
onderzoeken blijkt steeds weer dat de verwachting van de leerkracht
een belangrijke rol speelt in hoe een dyslectische leerling
zichzelf ziet (het zelfbeeld).
naar
boven
3. Dossiervorming
Het bijhouden van een dossier over de leesvorderingen van een
kind is belangrijk. Het zorgt voor een goede overdracht naar de
leerkracht van de volgende groep en geeft direct informatie
over de geschiedenis van de leesontwikkeling bij verwijzing naar
een extern deskundige.
Volgens het protocol moeten de volgende gegevens in het dossier
worden opgenomen:
- toetsformulieren met ruwe scores, interpretaties en eventueel
de computeruitdraai van de Citoscores
- lees- en spellingsanalyses
- werk van de leerling, zoals schrijfproducten en een lijst van
gelezen boeken
- de eindevaluatie van het einde van een schooljaar
- interventie en handelingsplannen
- afsprakenlijstjes n.a.v. de gesprekken tussen leerkracht,
deskundigen en ouders
- korte verslagen van de gesprekken
- kort verslag van de overdracht naar een volgende groep
4. Hulpmiddelen
De leerling kan op school gebruik maken van hulpmiddelen
(compensatie) of ontheffing (dispensatie) krijgen van bepaalde
opdrachten.
Welke compenserende en dispenserende maatregelen noodzakelijk
zijn, hangt af van de problemen die het kind heeft. Dit
zal vrijwel altijd in overleg met een deskundige moeten worden
uitgezocht.
De deskundige zal ook zowel leerling als leerkracht
begeleiden in het gebruik van de benodigde hulpmiddelen in de klas.
Meestal is het ook raadzaam de ouders te instrueren, zodat de
leerling de hulpmiddelen ook thuis kan gebruiken bij het maken van
huiswerk. Kijk voor meer informatie bij Aanpassingen bij
lezen en schrijven.
Aangepaste typecursussen
Kinderen die gebruik maken van een spellingprogramma of
voorleessoftware voor de computer, kunnen veel profijt hebben van
een typecursus om de typevaardigheid te vergroten. Er zijn
verschillende instituten die een typecursus voor kinderen met
dyslexie aanbieden. Lees meer bij Aangepaste typecursussen.
5. Dyslexiepas- of kaart
Het is wenselijk om de afspraken over het gebruik van
hulpmiddelen, die met de leerling en zijn ouders zijn gemaakt,
vast te leggen op een zogenaamde dyslexiepas of dyslexiekaart.
Sommige van deze maatregelen zullen al op de dyslexieverklaring van de leerling staan
beschreven.
De dyslexiepas- of kaart houdt de leerling bij zich, zodat hij
die kan laten zien als er een keer een invaller is in de
groep.
Gaat de leerling naar een volgende groep, dan gaat de kaart mee.
Zijn daar andere omstandigheden van toepassing, dan kan de
kaart zonodig aangepast worden. Dit is ook een goed moment om te
kijken of de faciliteiten nog up-to-date zijn. Misschien moet een
softwarepakket worden vervangen door een nieuwere versie of
door een ander programma dat beter aansluit bij
de behoeften van de leerling.
Aanpassingen in de faciliteiten gebeurt bij voorkeur in
samenspraak met de deskundige die goed op de hoogte is van de
ICT-mogelijkheden voor dyslectische leerlingen. Kijk voor meer
informatie bij
ICT-hulpmiddelen.
naar
boven
Laatste wijziging: 13-10-2010