Nee, de Citotoets is in principe niet verplicht. Scholen in het voortgezet onderwijs eisen bij de toelating echter wel twee meningen: het advies van de basisschool en een onafhankelijk advies uit een test.
Soms is het mogelijk in plaats van de Cito-score een andere testuitslag te gebruiken. Er zijn echter ook gemeenten waar scholen voor het voortgezet onderwijs met elkaar afspraken hebben gemaakt over het gebruik van de Cito Eindtoets. Het is goed daarnaar te informeren bij de basisschool van uw kind of bij de afdeling onderwijs van een gemeente.
Nee, dit is niet nodig. Een dyslexieverklaring blijft altijd geldig, want dyslexie gaat niet over.
Wel kan het nodig zijn om het aanvullende deel bij de dyslexieverklaring aan te passen, waarin de dyslexiedeskundige heeft aangegeven welke voorzieningen uw kind nodig heeft om het onderwijs te kunnen volgen.
Ten eerste door u tijdig - liefst al in groep zeven - te oriënteren en de open dagen van de scholen te bezoeken. Daar kunt u informeren naar het dyslexiebeleid van de school en of er gebruik gemaakt worden van het dyslexieprotocol voor het voortgezet onderwijs.
U kunt ook bij ouders van leerlingen met dyslexie in hogere leerjaren informeren of het dyslexiebeleid klopt met wat de school zegt te doen op dit gebied.
De praktijk leert dat het gevoerde dyslexiebeleid niet altijd doorslaggevend hoeft te zijn voor de keuze van de school. Ook andere elementen uit het schoolleven moeten meegewogen worden bij de keuze.
U kunt samen met uw kind een checklist maken met voorwaarden waaraan de nieuwe school moet voldoen. Deze checklist vindt u bij Schooloriëntatie. Hier vindt u tevens de 'Vragenlijst schoolbezoek', die u kunt gebruiken in een gesprek met de zorg- of dyslexiecoördinator van de school.
Hieronder volgt een overzicht van websites die u kunnen helpen met het maken van een keuze:
Bent u benieuwd naar de ervaringen van andere ouders met hun school? Via onze website Ouders delen ervaringen kunt u uw persoonlijke ervaringen met scholen en zorgverleners invoeren, zodat andere ouders deze kunnen raadplegen.
Dat is heel verschillend en varieert van alleen extra tijd bij proefwerken en examens tot intensieve begeleiding en het zonodig toestaan van compenserende hulpmiddelen en maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn:
Op de meeste scholen gebruiken leerlingen met dyslexie een zogenaamde dyslexiepas of dyslexiekaart, waarop de afgesproken voorzieningen staan vermeld.
Het kan zijn dat de leerling op de basisschool dankzij allerlei compenserende strategieën steeds voldoendes heeft gescoord op de lees- en spellingtoetsen. Dit komt regelmatig voor bij zeer intelligente kinderen. Die vallen dan pas uit als er meer eisen worden gesteld aan de hoeveelheid leeswerk voor de diverse vakken en als er meer talen bijkomen.
Het kan ook zijn dat de basisschool onvoldoende kennis had over dyslexie, en de problemen van uw kind niet heeft onderkend. Mede daarom worden tegenwoordig vrijwel alle brugklasleerlingen gescreend op lees- en spellingproblemen.
De signaleringstoets in de brugklas bestaat uit een zinnendictee, een overschrijftaak en een stillees-toets. Ouders van leerlingen die op deze toets onder de norm scoren, krijgen het advies hun kind verder te laten onderzoeken op eventuele dyslexie.
Nee, het is niet altijd realistisch én nodig om een leerling in het voortgezet onderwijs extra te laten oefenen om een diagnose dyslexie te kunnen stellen.
Voor het stellen van een diagnose dyslexie moet de onderzoeker constateren dat er sprake is van achterstand én van didactische resistentie. Van didactische resistentie is sprake als er ondanks extra oefening geen verbetering optreedt. Bij jonge kinderen wordt daarom geëist dat er eerst een periode van intensieve oefening heeft plaatsgevonden, voordat didactische resistentie vastgesteld kan worden. Deze periode kenmerkt zich door veel extra lezen.
Leerlingen in het voorgezet onderwijs hebben al jaren gelezen en geschreven en dat is óók een vorm van oefenen. Op basis daarvan mag verwacht worden dat er vooruitgang is geboekt. Is dit niet het geval dan kan de diagnosticus, mede op basis van de leergeschiedenis van het kind, besluiten dat didactische resistentie aannemelijk is. Nergens in de literatuur staat geschreven dat ook bij oudere kinderen eerst een periode van remediëring moet plaatsvinden om didactische resistentie te kunnen vaststellen.
De onderzoeker moet dus goed kijken naar de realiteit en zal per geval moeten beslissen of extra oefening wel of niet nodig is voor het stellen van de diagnose.
Er zijn geen officiéle aangepaste richtlijnen voor de beoordeling van het werk van leerlingen met dyslexie. Ook hier geldt weer dat het beleid per school kan verschillen en soms zelfs per sectie of individuele docent varieert. Steeds meer scholen laten spellingfouten voor leerlingen met dyslexie minder zwaar wegen bij een toets en staan bijvoorbeeld het gebruik van een laptop met spellingcorrector toe bij het maken van toetsen. In het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs zijn hiervoor adviezen voor docenten opgenomen.
Nederlands en Engels zijn in ons land verplichte vakken, waarin iedere leerling eindexamen moet doen. Ook het volgen van de moderne vreemde talen (meestal Duits en Frans) is verplicht voor leerlingen met dyslexie. Scholen mogen wél de afname van de toetsstof aanpassen, bijvoorbeeld door leerlingen met dyslexie mondeling te toetsen. Maar ze zijn dit niet verplicht.
Alleen in uitzonderlijke gevallen mag de directeur van een school (het bevoegd gezag) leerlingen toestemming geven voor een aangepast lesprogramma. Een leerling hoeft dan één van de moderne vreemde talen (meestal Frans of Duits) niet meer te volgen. Ter compensatie wordt dan een ander vak gevolgd.
Kijk voor meer informatie bij Ontheffingen voor de talen bij dyslexie.
Een school is in het kader van de Wet gelijke behandeling verplicht om voorzieningen voor leerlingen met dyslexie toe te staan. De wet bepaalt dat als (een ouder van) een leerling met een beperking om een aanpassing vraagt, de school verplicht is deze te realiseren. Alleen als de gevraagde aanpassing echt te veel van de school vraagt, mag de school deze aanpassing weigeren. Bijvoorbeeld omdat de kosten te hoog zijn. In de wet heet dat dan: onevenredig belastend.
Meer informatie in de brochure Recht op gelijke behandeling.
Meer informatie over mogelijke voorzieningen bij dyslexie vindt u bij Aanpassingen en hulpmiddelen.
Voor een leerling met dyslexie kunnen de examencondities aangepast worden op grond van een rapport van een deskundige, waarin is aangegeven welke maatregelen nodig zijn. Deze aanpassingen betreffen zowel het schoolexamen als het centraal eindexamen.
Afhankelijk van de mate, de ernst en het soort dyslexie komen de volgende maatregelen voor:
Lees meer bij Welke aanpassingen zijn mogelijk?
Veel eindexamenleerlingen met dyslexie mogen van hun school bij het examen gebruik maken van aanpassingen. Op grond van artikel 55 van het eindexamenbesluit bepaalt de directeur van de school welke leerllingen het examen op een aangepaste wijze mogen maken en meldt hij dit bij de inspectie.
Dit betreffen aanpassingen die beschreven zijn in het advies dat de dyslexiedeskundige opstelt bij de dyslexieverklaring.
Kijk voor meer informatie bij Aangepast eindexamen voor leerlingen met dyslexie.
Nee, dat mag niet. Er is een beperkte puntenaftrek gereserveerd voor spelfouten en die geldt voor alle kandidaten, ook degenen met dyslexie. Hetzelfde geldt voor rekenfouten voor leerlingen met dyscalculie.
Op het moment dat school en ouders het oneens zijn over de ontwikkeling van een kind, is het altijd verstandig een deskundige derde een onderzoek te laten uitvoeren. De middelen die een school heeft om dergelijk onderzoek te laten doen, zijn gelimiteerd. Soms is het budget uitgeput. De financiële beperkingen nopen een school dan om zo'n onderzoek op een ander dan het gewenste tijdstip te laten uitvoeren. Het belang van kinderen verdraagt een dergelijke uitstel vaak niet. Scholen doen er daarom goed aan in alle gevallen over een calamiteitenpotje te beschikken. Soms komt het voor dat ouders onderzoek verlangen terwijl de school en de daaraan verbonden deskundigen een onderzoek absoluut niet noodzakelijk achten. In alle gevallen verdient het de voorkeur een uiterste inspanning te doen om het met elkaar eens te worden. In een enkel geval kan het een oplossing zijn de ouders te adviseren het onderzoek voor eigen rekening te laten uitvoeren. (Bron: Masterplan Dyslexie)
Het dyslexieprotocol is onderdeel van het zorgplan van een school. De MR heeft instemmingsbevoegdheid over wijzigingen in het zorgplan. Dat betekent dat wijzigingen in het zorgplan niet zonder toestemming van de MR mogen worden ingevoerd.
Informatieboekje over dyslexie en dyscalculie voor spreekbeurt en werkstuk (vanaf groep 6)
(0800) 5010
(030) 225 50 50